Meldingsplicht buitenlandse werkgevers

Meldingsplicht voor buitenlandse werkgevers die in Nederland werk (doen) verrichten

Vanaf 1 maart 2020 geldt voor buitenlandse werkgevers en zelfstandige ondernemers (uit landen van de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland) een meldingsplicht als zij in Nederland tijdelijk werkzaamheden verrichten. Bij de melding moet onder meer worden aangegeven welke werkzaamheden verricht gaan worden, in welke periode en of werknemers worden meegebracht. Ook de komst van alle gedetacheerde werknemers moet worden gemeld.

 
De meldingsplicht vindt de grondslag in de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de EU (WagwEU) en het Besluit arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de EU.

 

De beëindiging van een besloten vennootschap

Er kunnen tal van redenen zijn de beëindiging van een besloten vennootschap (BV) te overwegen. In deze bijdrage bespreken we de meest voorkomende manieren om een BV te beëindigen: ontbinding, turboliquidatie of faillissement.

 

De ontbinding
Een BV kan worden ontbonden door een formeel besluit van de aandeelhouders, tenzij de statuten bepalen dat een ander orgaan het besluit moet nemen (artikel 2:19 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

 

Na het besluit tot ontbinding bestaat de BV nog steeds (artikel 2:19 lid 5 BW). De BV blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van het vermogen van de BV nodig is. De BV moet vanaf het moment van de ontbinding (ofwel de aanvang van de vereffening) in alle stukken en aankondigingen die van de BV uitgaan, aan de naam van de BV toevoegen “in liquidatie”. De BV is pas opgehouden te bestaan als het vermogen van de vennootschap is vereffend. Het bestuur is in de regel belast met de vereffening van het vermogen van de vennootschap die is ontbonden. De statuten kunnen ook een ander persoon als vereffenaar aanwijzen. De vereffenaar inventariseert allereerst de aanwezige baten en lasten. Het aanwezige vermogen moet te gelden worden gemaakt.

 

In het geval de baten hoger zijn dan (of gelijk zijn aan) de schulden, dan zal de vereffenaar een plan van verdeling opstellen. Dat plan wordt gedurende twee maanden ter inzage gelegd bij het Handelsregister. De vereffenaar maakt bekend tot welke datum het plan van verdeling ter inzage ligt. Dit kan door middel van een kennisgeving in een landelijk dagblad en de Staatscourant. Vanaf het moment van kennisgeving en gedurende de inzagetermijn kan met een verzoekschrift verzet worden ingesteld tegen het plan van verdeling. Na het ongebruikt verstrijken van de termijn wordt uitvoering gegeven aan het plan. De schulden worden betaald, de vereffenaar legt rekening en verantwoording af en het (eventuele) resterende vermogen wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders, tenzij de statuten anders bepalen. Nadat de vennootschap is vereffend houdt deze op te bestaan en kan zij worden uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

 

Als de schulden hoger zijn dan het vermogen ontstaat er een probleem. In dat geval is de vereffenaar verplicht om ofwel een akkoord aan te bieden aan de schuldeisers, ofwel het faillissement aan te vragen van de vennootschap. Wordt er geen akkoord aangeboden of geen faillissement aangevraagd, dan kan de vereffenaar persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

 

Ook kan zich de situatie voordoen dat er geen baten zijn, maar alleen schulden. De vereffeningsfase hoeft niet te worden doorlopen, omdat er geen vermogen is dat kan worden vereffend. In deze situatie is sprake van een turboliquidatie. Die komt hierna aan bod.

 

De turboliquidatie
Een turboliquidatie is een snelle en goedkope manier om een vennootschap te ontbinden. Een ander bijkomend voordeel is dat er geen kennisgeving in een landelijk dagblad of Staatscourant hoeft te worden gedaan. De turbo-liquidatie vindt de grondslag in artikel 2:19 lid 4 BW.

 

Turboliquidatie is alleen mogelijk indien de vennootschap geen baten heeft. Let op: het is echter niet toegestaan om kort voor de liquidatie vermogen te onttrekken aan de vennootschap of selectieve betalingen te doen aan schuldeisers (om de voor turbo-liquidatie vereiste vermogenstoestand te bewerkstelligen). Doet het bestuur dat wel, dan kan het bestuur persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

 

Voor een succesvolle turboliquidatie is verder vereist dat de doorlopende verplichtingen, zoals bijvoorbeeld een huurovereenkomst, op de juiste wijze zijn beëindigd.

 

Turboliquidatie is zoals gezegd eenvoudig: er hoeft maar één fase te worden doorlopen. Voor een turboliquidatie moet er een formeel besluit worden genomen door de aandeelhouder(s) tot ontbinding van de vennootschap. Door dit besluit is de vennootschap onmiddellijk opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De vennootschap kan worden uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Aan vereffening wordt niet toegekomen, omdat er geen vermogen aanwezig is.

 

Bij een turboliquidatie resteren doorgaans alleen schulden. Dat kan wrang voelen voor schuldeisers, temeer omdat er – in tegenstelling tot het faillissement – geen curator wordt aangesteld die het handelen van het bestuur toetst. Op basis van rechtspraak is het echter soms verplicht om voor de turboliquidatie te kiezen en niet voor het faillissement. Op het moment dat er (nagenoeg) geen activa is, er slechts schulden resteren en er bovendien geen verwachting is dat er activa kan worden gegenereerd, bijvoorbeeld op grond van bestuurdersaansprakelijkheid of een pauliana, rust er een verplichting op de vennootschap om de route van de turboliquidatie te volgen (HR 18 december 2015, ECLI:HR:2015:3636). Het niettemin aanvragen van een faillissement leidt tot misbruik van recht, omdat de curator wegens het gebrek aan baten onmiddellijk zou overgaan tot opheffing van het faillissement. Hierbij speelt een rol dat de curator wordt belast met werkzaamheden zonder dat hij daarvoor een vergoeding ontvangt.

 

Van de mogelijkheid van turbo-liquidatie wordt in de praktijk ook wel misbruik gemaakt. Schuldeisers hebben vaak het nakijken. De schuldeisers worden vooraf niet geïnformeerd over het verdwijnen van hun schuldenaar en relevante verantwoordingsinformatie ontbreekt. Het bestuur is niet gehouden om verantwoording af te leggen met bijvoorbeeld het deponeren van een slotbalans. Het Ministerie van Justitie onderzoekt de mogelijkheden van een wetswijziging en met als doel misbruik te voorkomen en de rechtsbescherming van schuldeisers te verbeteren.

 

In het voorstel dat minister Dekker voor rechtsbescherming in september 2019 aan de Tweede Kamer voorlegde kondigde hij het volgende aan: Het bestuur zal worden verplicht tot het opstellen en deponeren van een slotbalans, die vergezeld gaat van een bestuursverklaring met daarin een nadere verklaring omtrent het ontbreken van baten, eventueel nog met een slotuitdelingslijst. De slotbalans heeft betrekking op het boekjaar van de turboliquidatie en moet worden gedeponeerd bij het handelsregister. Het bestuur zal zorg moeten dragen voor een algemene bekendmaking van de ontbinding, waarbij kenbaar wordt gemaakt dat de slotbalans met jaarrekening ter inzage ligt bij het handelsregister. Tot slot moeten voor de doorhaling van de rechtspersoon in het handelsregister de jaarrekeningen over alle eerdere boekjaren openbaar gemaakt zijn, tenzij daarvoor een ontheffing op basis van artikel 2:394, lid 5 BW geldt. De door minister Dekker aangekondigde maatregelen worden in de loop van dit jaar uitgewerkt.

 

Faillissement
In het geval de schulden hoger zijn dan de baten en een schuldeisersakkoord geen reële optie blijkt, resteert er geen andere optie dan het faillissement van de BV aan te vragen.

 

Het faillissement kan worden uitgesproken als de BV in de toestand verkeert dat zij is opgehouden te betalen. Het faillissement kan op eigen aangifte worden uitgesproken als er tenminste twee schuldeisers zijn, waarvan één opeisbaar. Daarnaast moet er wel enige activa aanwezig zijn. Indien dat niet het geval is moet, zoals gezegd, de route van de turboliquidatie worden gevolgd.

 

Als het faillissement wordt uitgesproken zal de rechter een curator aanstellen. De curator zal het vermogen van de BV vereffenen namens de gezamenlijke schuldeisers. De rechter-commissaris houdt toezicht op het handelen van de curator.

 

Mocht u in verband met de beëdiging van een BV vragen hebben, neem dan contact op met de adviseurs van Bureau Aard. Zij staan u met raad en daad bij.

Transitievergoeding verandert: wat zijn de gevolgen?

Tot 1 januari 2020 geldt dat een werkgever aan de werknemer een transitievergoeding moet betalen als de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever beëindigd of niet voortgezet wordt. In de praktijk zag men dat werkgevers een dienstverband maximaal 23 maanden lieten duren zodat geen transitievergoeding verschuldigd werd. Aan die praktijk komt met inwerkingtreding van de nieuwe Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) per 1 januari 2020 een einde.
 
Eerdergenoemde termijn van 24 maanden komt per 1 januari 2020 namelijk te vervallen. Vanaf die datum geldt dat een transitievergoeding verschuldigd is vanaf de allereerste dag van het dienstverband als dit dienstverband op initiatief van de werkgever eindigt of niet wordt voortgezet. De transitievergoeding wordt dus ook verschuldigd als de werkgever tijdens de proeftijd besluit afscheid te nemen. Dat geldt eveneens bij een deeltijdontslag, mits sprake is van een substantiële (minimaal 20%) en structurele vermindering van de arbeidsduur. Ook dan krijgt de werknemer aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding.
 
Ook als sprake is geweest van een uitzendovereenkomst of de werknemer instemt met de opzegging en voldaan is aan de voorwaarden, geldt de aanspraak op de transitievergoeding. De transitievergoeding is niet verschuldigd als de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden middels een vaststellingsovereenkomst wordt beëindigd of als de beëindiging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
 
De transitievergoeding gaat ook anders worden berekend. Met ingang van 1 januari 2020 geldt dat voor ieder dienstjaar 1/3 maandsalaris wordt opgebouwd. Dit geldt zowel voor dienstverbanden langer dan 10 jaar en voor werknemers boven de 50. De werknemer heeft dus weliswaar vanaf een eerder moment aanspraak op de transitievergoeding, maar voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst met een (oudere) werknemer die langer dan tien jaar in dienst is geweest, zal de te betalen transitievergoeding per 1 januari 2020 substantieel lager uitvallen.
 
Meer weten over dit onderwerp? Neem gerust contact met ons op!

Gelden op de kwaliteitsrekening

De (vooruit)betaling van gelden vindt in ons economisch verkeer regelmatig plaats via een zogenaamde kwaliteitsrekening. Maar de betaling op een kwaliteitsrekening betekent niet dat de gelden het vermogen verlaten. Iets om rekening mee te houden bij het doen van de belastingaangifte.

 

De notaris
De notaris maakt gebruik van een derdengeldenrekening (ook wel derdenrekening of kwaliteitsrekening genoemd). Zo’n rekening gebruikt de notaris voor door derden aan hem toevertrouwde gelden. Deze gelden zijn afgescheiden van het eigen (kantoor)vermogen van de notaris. Ook de gerechtsdeurwaarder maakt voor zijn beroepsuitoefening van zo’n derdengeldenrekening gebruik.

 

De advocaat
De wettelijke regeling voor notarissen en gerechtsdeurwaarders (artikel 25 Wet op het notarisambt (Wna) respectievelijk artikel 19 Gerechtsdeurwaarderswet) bestaat voor advocaten niet. Voor de advocaat werkt het anders. De advocaat maakt voor de aan hem door derden toevertrouwde gelden in het kader van zijn beroepsuitoefening gebruik van een Stichting beheer derdengelden: de derdengeldenrekening is in beheer van de stichting. In het arrest van 13 juni 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3413) oordeelde de Hoge Raad reeds dat overeenkomstige toepassing van artikel 25 Wna mogelijk is op rekeningen die door advocaten worden aangehouden met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden.

 

Afgescheiden vermogen
Het feit dat de gelden zijn afgescheiden van het vermogen van (bijvoorbeeld) de notaris, brengt met zich mee dat de gelden buiten een eventueel faillissement van (bijvoorbeeld) de notaris blijven.

 

Geen verjaring
De Hoge Raad oordeelde (HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139) dat de Stichting beheer derdengelden zich tegenover een rechthebbende niet kan beroepen op verjaring van een vordering tot uitbetaling (van diens aandeel). Een rechthebbende heeft te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening.

 

Gelden op de kwaliteitsrekening blijven behoren tot het eigen vermogen
Het storten van geld op een kwaliteitsrekening betekent niet dat het bedrag het vermogen van de storter verlaat. Ook al strekken de gelden tot zekerheid of tot voldoening van een (aanstaande) verplichting, zolang de tegenprestatie waarvoor de gelden zijn bestemd niet is verricht blijven de gelden behoren tot het vermogen van de storter. Eerst nadat de tegenprestatie waarvoor de gelden zijn bestemd is verricht, verlaten de gelden het vermogen van de storter.

 

Een belanghebbende richtte op 31 december een besloten vennootschap op. Op die datum stortte hij € 1,5 miljoen aan agio op de kwaliteitsrekening van de notaris. Enkele weken later wordt het geld gebruikt voor de aanschaf van grond en andere activa. De Hoge Raad oordeelde op 12 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1177) dat het bedrag het vermogen van de belanghebbende op 31 december niet heeft verlaten. Het bedrag leidt tot belastingheffing in box 3.