In navolging van het eerdere arrest over de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb), heeft de Hoge Raad op 10 april 2026 opnieuw een belangrijke uitspraak gedaan over de belastingrente. Hoewel het basistarief van 4% voor de inkomstenbelasting en overige belastingen rechtmatig blijft, trekt de Hoge Raad een harde streep bij de uitvoering: de Belastingdienst mag niet vooruitlopen op toekomstige renteverhogingen.
Zoals u kunt lezen in ons artikel “Staatssecretaris schept duidelijkheid over massaal bezwaar belastingrente”, is het verhoogde percentage voor de vennootschapsbelasting definitief van tafel. Deze nieuwe uitspraak verduidelijkt de regels voor de overige belastingmiddelen en bevestigt het belang van het legaliteitsbeginsel.
Minimumrente van 4% houdt stand
In deze zaak betoogde de belastingplichtige dat een rentepercentage van 4% (het minimum voor onder andere de inkomstenbelasting en Zvw) een ontoelaatbare inbreuk maakt op het eigendomsrecht en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De Hoge Raad verwierp dit standpunt. Onder verwijzing naar het arrest van 16 januari 2026 stelt de Raad dat een percentage van 4% binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt. De wetgever mag de 4%-grens voor de overige belastingen dus blijven gebruiken. Dit verschilt van de Vpb, waar het tarief zonder deugdelijke motivering naar 8% of hoger schoot.
Geen vooruitloop op renteverhoging
De tweede grond van de belanghebbende was wel succesvol en raakt de kern van de fiscale rechtszekerheid. In deze casus legde de inspecteur op 26 september 2020 een beschikking op. In deze beschikking rekende hij voor de periode vanaf 1 oktober 2020 alvast met een rentepercentage van 4%. Echter, op het moment van de beschikking (26 september) gold wettelijk nog het verlaagde tarief van 0,01%.
De Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur hiermee het legaliteitsbeginsel schond. Dit beginsel dwingt de volgende regels af:
- U mag belastingrente alleen berekenen op basis van de regelgeving die op het moment van de beschikking officieel in werking is getreden.
- De inspecteur mag op de dagtekening niet vooruitlopen op een toekomstig tarief, ook niet als de overheid dat tarief al heeft aangekondigd of gepubliceerd.
- Voor de periode in deze zaak moest de Belastingdienst daarom het destijds geldende lage tarief van 0,01% toepassen in plaats van 4%.
Praktische gevolgen voor belastingplichtigen
Deze uitspraak is vooral van belang voor beschikkingen die de Belastingdienst oplegt rondom tariefswijzigingen. Het arrest bevestigt dat de datum van de beschikking (de dagtekening) bepaalt welk percentage de inspecteur mag toepassen.
Wij adviseren u het volgende:
- Controleer bij oudere aanslagen rondom tariefwijzigingen of de Belastingdienst de juiste percentages hanteerde op basis van de dagtekening.
- Wees alert op beschikkingen waarin de Belastingdienst anticipeert op nieuwe wetgeving die formeel nog niet van kracht is.
- Houd er rekening mee dat de 4%-grens voor de inkomstenbelasting en Zvw hiermee juridisch definitief vaststaat.
Conclusie
De Hoge Raad schept met dit arrest de nodige balans. Terwijl de hoogte van de rente voor de inkomstenbelasting (4%) als evenredig wordt beschouwd, wordt de inspecteur strikt gehouden aan de wet op het moment van handelen. Geen belasting of rente zonder een actuele wettelijke basis, ongeacht wat er in de toekomst gepland staat.
Orde op zaken, zaken op orde. Heeft u vragen over de rechtmatigheid van een aan u opgelegde rentebeschikking of wilt u weten of u recht heeft op een correctie op basis van dit arrest? Neem dan contact op met een van onze adviseurs.














