Staatssecretaris schept duidelijkheid over massaal bezwaar belastingrente

De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. In dat arrest verklaarde de Hoge Raad het verhoogde belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting onverbindend.

In een eerder blog bespraken wij deze uitspraak al uitgebreid onder de titel “Hoge Raad zet streep door verhoging belastingrente vennootschapsbelasting”. De recente Kamerbrief geeft nu duidelijkheid over de praktische uitvoering van dat arrest binnen de massaal bezwaar procedure.

Verhoogd percentage Vpb definitief van tafel

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde rentepercentage voor de vennootschapsbelasting niet mag worden toegepast. Daarmee vervalt de specifieke minimumrente die sinds 1 januari 2022 gold voor Vpb-plichtigen.

Voor alle gevallen waarin belastingrente moet worden berekend, geldt voor de vennootschapsbelasting het reguliere (algemene) rentepercentage. De staatssecretaris bevestigt dit expliciet in zijn brief aan de Tweede Kamer.

Wat betekent dit voor de massaal bezwaar procedure?

De uitspraak werkt door in de lopende massaal bezwaar procedure over belastingrente. De Belastingdienst zal de bezwaren die onder deze procedure vallen collectief afdoen.

Voor de vennootschapsbelasting betekent dit:

  • Bezwaren tegen het verhoogde rentepercentage worden toegewezen;
  • De belastingrente wordt herrekend naar het reguliere percentage;
  • De inspecteur past de betrokken aanslagen ambtshalve aan.

Voor andere belastingmiddelen blijft het algemene rentepercentage ongewijzigd van toepassing.

 

Praktische gevolgen voor Vpb-plichtigen

Ondernemingen die tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de belastingrente in de vennootschapsbelasting kunnen een aanpassing van de in rekening gebrachte rente verwachten. Dat kan leiden tot een teruggaaf.

Het is raadzaam om:

  • Te controleren of uw aanslagen onder de massaal bezwaar procedure vallen;
  • De komende maanden de aangepaste rentebeschikkingen te monitoren;
  • Bij nieuwe aanslagen het gehanteerde rentepercentage expliciet te toetsen.

Conclusie

Met de brief aan de Tweede Kamer geeft de staatssecretaris uitvoering aan het arrest van de Hoge Raad. Het verhoogde rentepercentage voor de vennootschapsbelasting is definitief van tafel. Voor de Vpb geldt voortaan weer het reguliere rentepercentage.

De discussie over de hoogte van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting is daarmee afgerond; de administratieve verwerking volgt nu.

 

Nieuwe btw-herzieningsregeling voor vastgoed vanaf 1 januari 2026

Per 1 januari 2026 treedt een belangrijke wijziging in de btw-wetgeving in werking. De overheid introduceert een herzieningsregeling voor diensten aan onroerende zaken. Deze regeling is van belang voor ondernemers die investeren in onderhoud, renovatie of verbouwing van vastgoed en de btw op deze diensten willen aftrekken. De maatregel zorgt ervoor dat eerder afgetrokken btw wordt aangepast wanneer het gebruik van het vastgoed verandert, zodat fiscale correcties in de toekomst adequater kunnen worden toegepast.

 

Waarom een herzieningsregeling voor diensten?

Tot op heden bestaat de btw-herziening vooral voor investeringsgoederen, zoals de aankoop of ontwikkeling van vastgoed of roerende zaken waarop kan worden afgeschreven. Diensten, zoals verbouwing of onderhoud, vallen niet onder deze regeling. Dit creëerde situaties waarin ondernemers ingrijpende verbouwingen of onderhoud uitvoerden en de btw volledig aftrokken, terwijl het pand later btw-vrijgesteld werd gebruikt.

Een belangrijk voorbeeld betreft de zogenaamde short-stay-structuren. Hierbij verbouwt een ondernemer een pand tot woningen met de intentie om deze later btw-vrijgesteld te verhuren. Om de btw terug te kunnen vragen, verhuurt hij de woningen eerst kortstondig btw-belast. Zodra de woningen op korte termijn btw-vrijgesteld worden verhuurd, vindt er geen herziening plaats en blijft de eerder teruggevraagde btw volledig aftrekbaar. De wetgever beschouwt dit als een ongewenste constructie en heeft de nieuwe herzieningsregeling mede ingevoerd om dergelijke situaties te voorkomen.

 

Wat zijn investeringsdiensten?

Vanaf 2026 geldt de herzieningsregeling voor zogenaamde investeringsdiensten aan onroerende zaken. Dit zijn diensten met een duurzaam karakter die een meerjarig nut opleveren. Onder investeringsdiensten vallen werkzaamheden zoals vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen van een onroerende zaak, onderhoud en ingrijpende verbouwingen inclusief sloopwerkzaamheden.

Voorbeelden zijn het schilderen van kozijnen en deuren, grond- of asbestsanering, het plaatsen van keukens of badkamers, isolatiewerkzaamheden, renovatie van gevels of daken en het installeren van installaties of machines die onderdeel uitmaken van het pand. Om te voorkomen dat kleine, incidentele werkzaamheden onder de regeling vallen, geldt een drempel van € 30.000 exclusief btw per dienst. Kunstmatig opknippen van werkzaamheden wordt door de wetgever bestreden.

 

Hoe werkt de herziening in de praktijk?

Diensten die onder de regeling vallen, worden gedurende vijf jaar gevolgd: het jaar van ingebruikname plus vier daaropvolgende boekjaren. Gedurende deze periode moeten ondernemers bijhouden of het gebruik van het vastgoed verandert. Wordt een pand bijvoorbeeld eerst btw-belast verhuurd en later btw-vrijgesteld, dan moet de eerder afgetrokken btw pro rata worden gecorrigeerd. In sommige gevallen kan dit betekenen dat btw moet worden terugbetaald; in andere gevallen kan een ondernemer juist extra btw terugvorderen wanneer een dienst later wordt gebruikt voor btw-belaste prestaties.

Een concreet voorbeeld illustreert dit effect. Stel dat een ondernemer een kantoorgebouw verbouwt tot appartementen en de verbouwingskosten € 5.000.000 exclusief btw bedragen. In het jaar van ingebruikneming worden de appartementen btw-belast verhuurd, waardoor de volledige btw van € 1.050.000 in aftrek wordt gebracht. In het tweede boekjaar besluit de ondernemer de verhuur btw-vrijgesteld voort te zetten. De herzieningsregeling verplicht nu een correctie van vier vijfde van de btw, in dit voorbeeld € 840.000. Onder de oude wetgeving zou geen herziening plaatsvinden.

 

Herzieningstermijn en ingangsdatum

De herzieningstermijn voor diensten bedraagt vijf jaar per investeringsdienst en start op het moment dat de dienst in gebruik wordt genomen. Hierdoor is er een specifiek en objectief bepaalbaar aanvangsmoment. De keuze voor een termijn van vijf jaar is bedoeld om de administratieve en uitvoeringslasten binnen redelijke grenzen te houden.

De regeling treedt in werking op 1 januari 2026 en is van toepassing op investeringsdiensten die op of na deze datum in gebruik worden genomen. Dit geeft ondernemers nog tijd om hun projecten en administratieve processen goed voor te bereiden.

 

Gevolgen voor de praktijk

De invoering van deze herzieningsregeling kan grote gevolgen hebben voor ondernemers die vastgoed exploiteren. Enerzijds kan de regeling leiden tot terugbetalingen van eerder afgetrokken btw wanneer het gebruik van een pand wijzigt. Anderzijds biedt de regeling mogelijkheden om extra btw terug te vorderen wanneer een dienst later voor btw-belaste prestaties wordt gebruikt.

Omdat de regeling brede en soms open normen kent, zal er in de praktijk discussie ontstaan over de kwalificatie van bepaalde diensten als investeringsdiensten en over de verdeling van werkzaamheden over afzonderlijke diensten. Ondernemers doen er goed aan tijdig hun projecten te beoordelen en de administratie zorgvuldig in te richten. Zo kunnen zij hun fiscale positie vanaf 1 januari 2026 onder controle houden en onaangename verrassingen voorkomen.

 

Advies voor ondernemers

Het is raadzaam om nu al inzicht te krijgen in geplande onderhouds- en renovatieprojecten en deze goed te registreren. Bespreek met uw adviseur welke diensten onder de herzieningsregeling vallen en welke gevolgen dit heeft voor uw administratie en btw-aftrek. Een tijdige voorbereiding biedt duidelijkheid, voorkomt onverwachte correcties en helpt optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die de wet biedt.

Orde op zaken, zaken op orde. Heeft u vragen over deze nieuwe regeling of wilt u weten wat dit betekent voor uw vastgoedportefeuille? Neem dan contact op met een van onze adviseur voor een persoonlijke analyse en praktische ondersteuning.

Loon directeur grootaandeelhouder

Let op: nep-betalingsherinneringen van de Belastingdienst in omloop

Het komt steeds vaker voor dat criminelen zich voordoen als medewerkers van de Belastingdienst. Dit wordt ook wel phishing genoemd. Op steeds slimmere manieren proberen zij je geld afhandig te maken. Wees alert op deze nepberichten. Wij leggen je uit welke methoden criminelen vaak gebruiken, om je betalingen te laten doen, uit naam van de Belastingdienst.

Sms- en e-mailberichten met betaalverzoeken

Een veelvoorkomende vorm van phishing betreft sms- en e-mailberichten waarin wordt gesteld dat sprake is van een openstaande belastingschuld. In deze berichten wordt vaak verwezen naar een laatste betalingsherinnering met een korte of zelfs onmiddellijke uiterste betaaldatum. Regelmatig is een link opgenomen waarmee u zogenaamd direct kunt betalen.

Waar dergelijke berichten in het verleden nog herkenbaar waren aan spelfouten of een slordige opmaak, zijn zij tegenwoordig professioneel opgesteld en daardoor lastig te onderscheiden van echte correspondentie.

Hoe communiceert de Belastingdienst wel?

Het is belangrijk om te weten dat de Belastingdienst:

  • geen sms- of e-mailberichten verstuurt waarin wordt verwezen naar een openstaande belastingschuld;
  • geen betaalverzoeken doet via iDEAL-links, betaalknoppen of QR-codes;
  • invorderingsmaatregelen niet per e-mail of telefoon aankondigt;
  • uitsluitend communiceert via officiële aanslagen per post (de bekende blauwe envelop) of via de beveiligde omgeving van Mijn Belastingdienst.

Ontvangt u een bericht dat hiervan afwijkt, dan is dat een belangrijk waarschuwingssignaal.

Andere vormen van fraude

Naast nep-betalingsherinneringen komen ook andere vormen van fraude voor, zoals:

  • Neptelefoontjes van de Belastingdienst:

Criminelen bellen u en doen zich voor als medewerkers van de Belastingdienst. Ze zeggen dat u een openstaande belastingschuld heeft en eisen directe betaling, vaak onder dreiging van beslag op uw bankrekening. Deze oproepen zijn bewust bedoeld om u onder druk te zetten en u snel te laten betalen. De Belastingdienst belt nooit op deze manier; officiële communicatie verloopt altijd via een schriftelijke aanslag in de bekende blauwe envelop of via de beveiligde omgeving van Mijn Belastingdienst.

  • Cryptovaluta:

Sinds begin 2026 circuleren er valse e-mails waarin ontvangers wordt verzocht informatie te verstrekken aan de Belastingdienst over het bezit van bitcoins en andere cryptovaluta. In deze phishingberichten wordt gevraagd om via DigiD in te loggen om deze gegevens aan te leveren. De Belastingdienst heeft bevestigd dat deze e-mails niet authentiek zijn. Ga niet in op dit verzoek en klik niet op de link in het bericht.

Wat kunt u doen?

Wij adviseren u om:

  • nooit te betalen naar aanleiding van onverwachte berichten;
  • geen links aan te klikken en geen bijlagen te openen;
  • geen persoonlijke of financiële gegevens te verstrekken;
  • bij twijfel altijd eerst contact op te nemen met uw adviseur.

Samen kunnen wij beoordelen of een bericht legitiem is en welke vervolgstappen, indien nodig, passend zijn.

Meer informatie

Op de website van de Fraudehelpdesk vindt u actuele voorbeelden van phishing, nepmails, sms-berichten en andere vormen van digitale fraude. Bent u onverhoopt slachtoffer geworden, dan kunt u daar ook een melding doen.

Daarnaast kunt u bij online betalingen gebruikmaken van een IBAN-naamcheck, waarmee u kunt controleren of de naam van de ontvanger overeenkomt met het rekeningnummer.

Wees alert

Criminelen spelen in op tijdsdruk en onzekerheid. Twijfel betekent: niet betalen en eerst overleggen. Bij vragen of onzekerheid kunt u uiteraard contact opnemen met een van onze adviseurs. Wij denken graag met u mee.

Alles over de Opgaaf UBD voor betalingen aan derden

Heeft u in 2025 bedragen uitbetaald aan derden zonder btw? Dan moet u mogelijk vóór 1 februari 2026 een Opgaaf UBD indienen bij de Belastingdienst. De regels zijn aangescherpt en gelden inmiddels voor meer ondernemers dan voorheen. Meldt u niet tijdig of niet volledig, dan loopt u het risico op boetes.

Wat is de Opgaaf UBD?

Met de Opgaaf UBD (uitbetaling bedragen aan derden) meldt u betalingen aan natuurlijke personen die geen werknemer van u zijn. Het gaat om situaties waarin u geen factuur ontvangt of waarin u een factuur ontvangt zonder btw. De Belastingdienst gebruikt deze gegevens als contra-informatie en verwerkt deze, na selectie, in de vooraf ingevulde aangifte als resultaat uit overige werkzaamheden.

Voor wie geldt de meldingsplicht?

Bent u inhoudingsplichtig voor de loonheffingen en doet u aangifte loonheffingen, dan valt u in principe onder deze regeling. Ook collectieve beheersorganisaties moeten een Opgaaf UBD indienen. In sommige gevallen geldt de verplichting ook voor niet-inhoudingsplichtigen, zoals verenigingen of particulieren, maar alleen als de Belastingdienst hen hiervoor expliciet uitnodigt.

Wanneer loopt u als ondernemer risico?

U moet extra alert zijn wanneer u betalingen doet aan natuurlijke personen die geen werknemer zijn. Dit speelt bijvoorbeeld bij betalingen aan zzp’ers die zonder btw factureren, bij personen die geen factuur sturen, bij zorgverleners die vrijgestelde prestaties verrichten en bij leveranciers die werken met btw-verlegde facturen. Ook betalingen aan natuurlijke personen die onder de kleineondernemersregeling vallen, moet u melden. Juist deze groep wordt in de praktijk vaak over het hoofd gezien.

Wanneer geldt de Opgaaf UBD niet?

Niet elke betaling valt onder de meldingsplicht. Zo hoeft u geen Opgaaf UBD te doen voor betalingen aan artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen. Ook betalingen aan vrijwilligers blijven buiten de regeling, zolang deze binnen de onbelaste vrijwilligersvergoeding blijven. Daarnaast vallen betalingen aan erfgerechtigden van inkomsten uit auteursrechten buiten de Opgaaf UBD. U moet per situatie beoordelen of daadwerkelijk sprake is van een geldige uitzondering.

Welke gegevens moet u aanleveren?

Bij de Opgaaf UBD levert u per persoon het uitbetaalde bedrag aan, inclusief kostenvergoedingen en eventuele beloningen in natura. Daarnaast vermeldt u de datum van uitbetaling en de persoonsgegevens van de ontvanger. Bent u administratieplichtig, dan moet u ook het BSN aanleveren. Is het BSN niet beschikbaar, dan mag u een test-BSN gebruiken, al kan dit vragen oproepen bij de verwerking door de Belastingdienst.

Deadline en wijze van aanleveren

U moet de gegevens over 2025 uiterlijk 31 januari 2026 aanleveren. Het gaat uitsluitend om betalingen die u daadwerkelijk in 2025 heeft gedaan. U kunt de Opgaaf UBD indienen via het gegevensportaal van de Belastingdienst of via Digipoort. Vanaf 2026 mag u betalingen die in dat jaar plaatsvinden ook tussentijds melden, maar dat verandert niets aan de verplichtingen over eerdere jaren.

Aangescherpte regels voor btw-verlegde facturen

De Belastingdienst beschouwt ook betalingen op basis van btw-verlegde facturen als UBD-plichtig. Waar dit eerder niet altijd nodig was, verwacht de Belastingdienst nu dat u alsnog een Opgaaf UBD indient over de jaren 2022 tot en met 2025 als u dit nog niet heeft gedaan. U moet hiervoor contact opnemen met uw belastingkantoor om maatwerkafspraken te maken over de wijze van aanleveren.

Gevolgen bij niet of onjuist melden

De Belastingdienst geeft geen garantie dat bij het alsnog melden geen sancties volgen. Meldt u niet, onjuist of onvolledig, dan kan de Belastingdienst een boete opleggen. Bij opzettelijk niet melden kunnen de sancties aanzienlijk oplopen. Door tijdig actie te ondernemen en de Belastingdienst vroeg te informeren, verkleint u deze risico’s.

Wat betekent dit voor u?

De Opgaaf UBD is geen formaliteit, maar een verplicht onderdeel van een correcte fiscale administratie. Door nu inzicht te krijgen in uw betalingen zonder btw en tijdig te melden, voorkomt u problemen achteraf.

Orde op zaken, zaken op orde.

Heeft u vragen over de Opgaaf UBD of over btw-verlegde situaties? Neem dan contact op met uw adviseur of met één van onze loonbelastingspecialisten.

 

TAM-omgevingsplan De Vlasroot x Leenderweg ter inzage

Bureau Aard werkt aan de herontwikkeling van de locatie aan De Vlasroot, op de hoek met de Leenderweg in Valkenswaard. Op deze locatie wil Bureau Aard 48 woningen realiseren, bestaande uit 27 grondgebonden woningen en 21 appartementen.
 
Met deze ontwikkeling maken we ruimte voor een nieuwe wooninvulling die past bij de omgeving en bijdraagt aan de woningbouwopgave in Valkenswaard.
 
Om dit plan mogelijk te maken heeft de gemeente een ontwerp TAM-omgevingsplan opgesteld. Dit is een tijdelijk planologisch kader waarin staat wat er gebouwd mag worden en onder welke voorwaarden.
 
In de bijbehorende ruimtelijke motivering heeft de gemeente onderzocht of het plan verantwoord en passend is. Daaruit blijkt onder meer dat:

  • het plan stedenbouwkundig goed inpasbaar is in de omgeving;
  • het aansluit bij de bestaande bebouwing aan de Leenderweg en De Vlasroot;
  • het bijdraagt aan de woningbouwopgave in Valkenswaard;
  • er geen onaanvaardbare gevolgen zijn voor verkeer, parkeren, milieu en leefomgeving.

Vanaf 2026 verbod op contante betalingen van € 3.000 of meer

Vanaf 1 januari 2026 verandert er iets groots voor ondernemers die contant geld aannemen. Je mag geen contante betalingen van € 3.000 of meer accepteren of doen. Of je nu auto’s, meubels, elektronica of kunst verkoopt: grote bedragen verlopen voortaan digitaal. Contant geld blijft toegestaan tot € 2.999,99, maar alles daarboven gaat via de bank.

Voor veel ondernemers betekent dit een verandering in de dagelijkse praktijk. Maar met een goede voorbereiding maak je de overstap soepel en voorkom je verrassingen.

Waarom de overheid dit verbod invoert

Contant geld speelt nog steeds een rol bij witwassen. Met dit verbod wil de overheid niet alleen de samenleving beschermen, maar ook jou als ondernemer. Je loopt minder risico om onbewust betrokken te raken bij illegale transacties. Bovendien blijft je administratie overzichtelijk en eenvoudig.

 

Het verbod wordt opgenomen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Voor normaal gebruik van contant geld verandert er niets. Alleen grote transacties moeten vanaf 2026 altijd digitaal.

 

Voor wie geldt het verbod (en voor wie niet)

Het verbod op contante betalingen van € 3.000 of meer geldt voor vrijwel alle handelaren in goederen. Denk aan autohandelaren, juweliers, elektronicazaken, meubelwinkels en kunsthandelaren. Ook tweedehands goederen vallen onder de regels. Het doel is om grote contante transacties binnen commerciële handel beter te reguleren en witwassen te voorkomen.

 

Wie valt er niet onder het verbod?

  • Particulieren die onderling handelen, bijvoorbeeld via Marktplaats of bij de verkoop van persoonlijke spullen. Voor hen blijven contante betalingen van elke omvang toegestaan, zolang er geen sprake is van beroepsmatig handelen.
  • Dienstverleners, zoals kappers, restaurants en reisbureaus, vallen voorlopig nog niet onder het verbod. Vanaf 10 juli 2027 komt er echter een Europese limiet voor contante betalingen van of aan dienstverleners.

 

Specifieke regels voor bepaalde handelaren:

  • Pandhuizen en kunsthandelaren moeten vanaf 2026 alle contante transacties boven de grens via de bank afhandelen.
  • Kunsthandelaren blijven bij bankbetalingen van € 10.000 of meer onder de Wwft-regels vallen: cliëntenonderzoek is verplicht en ongebruikelijke transacties moeten worden gemeld bij FIU-Nederland.
  • Handelaren in edelmetalen, edelstenen en luxe goederen krijgen vanaf 10 juli 2027 aanvullende Europese verplichtingen, naast het verbod op contante betalingen boven € 3.000.
  • Bemiddelaars bij de aan- en verkoop van voertuigen, kunst, antiquiteiten, edelstenen, edelmetalen of sieraden moeten altijd cliëntenonderzoek uitvoeren en ongebruikelijke transacties melden, ongeacht het bedrag of de betaalwijze.

 

Kortom: het verbod richt zich op handelaren in goederen, terwijl particulieren en dienstverleners voorlopig buiten schot blijven. Specifieke sectoren krijgen echter extra verplichtingen bovenop het algemene verbod, en vanaf 2027 komen ook dienstverleners in beeld.

 

Geen betaling opsplitsen

Je mag betalingen niet opsplitsen om onder de grens van € 3.000 te blijven. Een klant die een auto van € 8.100 in drie delen van € 2.700 contant betaalt, overtreedt de regels. Twee personen die samen goud kopen van € 6.000, waarbij één persoon alles contant betaalt, overtreden de regels ook. Grote contante betalingen moeten volledig digitaal verlopen. Daar valt niet over te onderhandelen.

Waar het verbod geldt

Het verbod geldt voor alle contante betalingen die in of vanuit Nederland plaatsvinden. Nederlandse handelaren die ook over de grens verkopen, moeten zich houden aan de nieuwe regels. Buitenlandse handelaren die in Nederland transacties doen, vallen eveneens onder het verbod.

Wat je als ondernemer moet doen

Bereid je nu voor:

  • Zorg dat je digitale betaalmethoden klaarstaan.
  • Informeer medewerkers en klanten over de nieuwe regels.
  • Pas offertes, facturen en interne procedures aan.

Zo verloopt alles vanaf 1 januari 2026 soepel en voorkom je dat je de regels per ongeluk overtreedt.

Klaar voor 2026?

Het verbod op contante betalingen boven € 3.000 is geen kleine wijziging. Het raakt je dagelijkse praktijk én je risico’s. Door nu actie te ondernemen, voorkom je boetes, reputatieschade en gedoe. Zorg dat je processen, betaalmethoden en communicatie op orde zijn.

 

Orde op zaken, zaken op orde – dat is de sleutel om vanaf 2026 veilig, compliant en professioneel te werken.

Het einde van het jaar nadert: stuur nu bij op je WKR en voorkom verrassingen

Het einde van het jaar nadert: stuur nu bij op je WKR en voorkom verrassingen

Het einde van het jaar komt snel dichterbij. Voor werkgevers hét moment om te bekijken hoe je ervoor staat met de werkkostenregeling (WKR). Houd je vrije ruimte over of dreigt juist een overschrijding? Door er nu mee aan de slag te gaan, voorkom je onaangename verrassingen en kun je nog slimme keuzes maken voordat de loonadministratie van 2025 op slot gaat.

 

Wat is de WKR ook alweer?

Binnen de werkkostenregeling mag je als werkgever een deel van de fiscale loonsom gebruiken voor netto vergoedingen en verstrekkingen aan je medewerkers. Dat deel noemen we de vrije ruimte.

In 2025 geldt:

  • 2% van de fiscale loonsom tot € 400.000
  • 1,18% over het meerdere

Overschrijd je deze vrije ruimte, dan betaal je als werkgever 80% eindheffing over het bedrag waarmee je eroverheen gaat. Deze eindheffing moet uiterlijk worden aangegeven in de tweede aangifte loonheffingen van het nieuwe jaar.

 

Waarom juist nu in actie komen?

De WKR is vaak iets waar werkgevers pas in december naar kijken. Maar dan is het te laat om nog te sturen. Door nu inzicht te krijgen in alle vergoedingen en verstrekkingen, kun je nog keuzes maken: slimmer inzetten van budgetten, activiteiten fiscaal gunstiger organiseren of juist vrije ruimte benutten die nog onbenut is.

Of je nu overschrijding wilt voorkomen of juist nog vrije ruimte over hebt, met een paar slimme acties kun je direct verschil maken.

 

Vier praktische tips om slim om te gaan met de WKR in 2025

Tip 1: Organiseer activiteiten op de werkplek

Borrels, teamuitjes en vieringen zijn waardevol voor de teamspirit, maar ze kunnen ook een flinke hap nemen uit de vrije ruimte, zeker als je ze extern organiseert.

Goed nieuws: activiteiten op de werkplek worden fiscaal gunstiger gewaardeerd. Een borrel of etentje op kantoor valt namelijk onder de nihilwaardering, terwijl externe locaties volledig ten laste komen van de vrije ruimte.

 

Ook voor maaltijden op de werkplek geldt een vaste waardering van slechts € 3,95 per werknemer (mits er geen eigen bijdrage is). Kortom: door slim te plannen, houd je meer vrije ruimte over voor andere vergoedingen.

 

Tip 2: Optimaliseer je kostenvergoedingen

Ontvangen je medewerkers een algemene kostenvergoeding? Dan gaat dat vaak ten koste van de vrije ruimte. Als je echter kunt aantonen dat (een deel van) deze vergoeding gericht vrijgesteld is, kun je deze buiten de WKR houden.

Een kostenonderzoek helpt hierbij. Bureau Aard kan ondersteunen bij het analyseren van je vergoedingen en adviseren hoe je deze optimaal kunt inzetten binnen de fiscale kaders.

 

Tip 3: Ruil loonbestanddelen uit

Heb je nog vrije ruimte over? Dan kun je medewerkers de optie bieden om een deel van hun brutoloon uit te ruilen voor een netto vergoeding. Denk aan een fiets, thuiswerkvergoeding of aanvullende reiskosten.

Dit levert medewerkers een direct belastingvoordeel op en kan ook voor jou als werkgever gunstig zijn doordat de loonkosten dalen. Een win-win die bovendien bijdraagt aan aantrekkelijk werkgeverschap.

 

Tip 4: Maak gebruik van de concernregeling

Heb je meerdere ondernemingen binnen één concern? Dan kun je onder voorwaarden de concernregeling toepassen. Hiermee mag je de vrije ruimte van de verschillende vennootschappen onderling salderen.

Heeft de ene vennootschap vrije ruimte over en de andere juist een overschrijding? Dan kun je dit verrekenen en zo besparen op de eindheffing. Zeker bij grotere organisaties kan dit een substantieel fiscaal voordeel opleveren.

 

Samen kijken naar de beste aanpak

De WKR is complex, maar met de juiste aanpak creëer je rust, overzicht en voordeel.
Bureau Aard helpt je om je WKR-positie helder in kaart te brengen en samen te bepalen waar ruimte of risico’s liggen. Vanuit onze geïntegreerde aanpak kijken we niet alleen fiscaal maar ook strategisch naar je arbeidsvoorwaarden.

Zo zorgen we samen voor orde op zaken, zaken op orde, ook in je WKR.

 

Meer weten of samen sparren over jouw WKR?

Neem contact op met ons op. We helpen je graag om ook fiscaal slim en strategisch te starten.

 

 

Vanaf 7 oktober SDE++ subsidie weer aan te vragen

Vanaf 7 oktober 2025 kunnen bedrijven en organisaties opnieuw SDE++-subsidie aanvragen. Deze regeling ondersteunt projecten die duurzame energie opwekken of CO₂-uitstoot verminderen. De overheid stelt dit jaar € 8 miljard beschikbaar.

Belangrijke wijzigingen in 2025

De SDE++ is op meerdere punten aangepast. In de meeste gevallen is geen vergunning voor een technische bouwactiviteit meer nodig. Dat maakt de aanvraag sneller en eenvoudiger.

Ook de regels voor CO₂-opslag zijn ruimer. Ondernemers mogen CO₂ nu ook laten opslaan in enkele landen buiten Nederland. Daarnaast verandert de manier waarop elektriciteit wordt afgerekend: niet meer per uur, maar per kwartier. Zo sluit de regeling beter aan op de Europese elektriciteitsmarkt.

Nieuwe technieken krijgen steun

Dit jaar komt de SDE++ ook beschikbaar voor nieuwe duurzame technieken. U kunt subsidie aanvragen voor:

  • CO₂-afvang uit de lucht (Direct Air Capture)
  • Terugwinning van waterstof uit restafval
  • Innovatieve zonnepanelen met hogere opbrengst of nieuwe toepassingen

De overheid wil hiermee innovatie binnen de energietransitie stimuleren.

Geen subsidie meer voor bepaalde projecten

Voor een aantal technieken stopt de SDE++-steun. Het gaat om:

  • Osmose-installaties
  • Daglichtkassen
  • Waterkrachtinstallaties met een verval van 50 cm of meer
  • Ultradiepe aardwarmte
  • Ketels op B-hout

Deze projecten dragen volgens het ministerie te weinig bij aan de klimaatdoelen of zijn onvoldoende rendabel.

Vergroot uw kans met een adviesgesprek

Wilt u zeker weten dat uw project in aanmerking komt? Dan kunt u vooraf een adviesgesprek aanvragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Een adviseur beoordeelt uw plannen en geeft tips om uw aanvraag te verbeteren.

U kunt het formulier eenvoudig invullen via de website van RVO.

Aanvraagperiode

De SDE++ subsidie kunt u aanvragen van 7 oktober 2025 9.00 uur tot 6 november 2025 17.00 uur.

Aanvragen doet u via www.RVO.nl.

Wacht niet tot het laatste moment, de regeling is populair en het budget vaak snel verdeeld.

Vooruitblik op 2026

Ook in 2026 komt er een nieuwe ronde van de SDE++. De verwachting is dat er dan meer ruimte komt voor warmteopslag en waterstofprojecten.

 

Elektrische auto’s in 2026: hogere bijtelling en minder belastingvoordeel

Elektrisch rijden klinkt aantrekkelijk: geen brandstofkosten, lagere CO₂-uitstoot en fiscale voordelen. Maar wie in 2026 een volledig elektrische auto wil rijden, moet rekening houden met flink hogere kosten. De bijtelling, motorrijtuigenbelasting en BPM veranderen namelijk aanzienlijk.

 

Bijtelling 2026: gelijk aan benzineauto’s

De bijtelling voor de auto van de zaak laat het duidelijk zien: de voordelen verdwijnen. In 2019 betaalde je voor een volledig elektrische auto nog 4% bijtelling (tot een cataloguswaarde van € 50.000). In 2025 is dat 17% tot € 30.000. Vanaf 2026 geldt het reguliere tarief van 22% voor de volledige cataloguswaarde, hetzelfde als voor benzineauto’s.

Wie kosten wil besparen, kan dit jaar nog profiteren van het lagere percentage van 17%. Dat percentage blijft 60 maanden geldig vanaf de eerste dag van de maand na toelating.

 

Motorrijtuigenbelasting: korting slinkt flink

Elektrische auto’s waren tot voor kort volledig vrijgesteld van motorrijtuigenbelasting. In 2025 verviel die vrijstelling, maar dit jaar geldt nog een korting van 75%. In 2026 daalt die korting naar 30%, waardoor eigenaren 70% van het reguliere tarief betalen. Dat is een aanzienlijke stijging.

De korting compenseert deels het extra gewicht van elektrische auto’s maar vanaf 2030 verdwijnt deze volledig. Voor 2026 tot en met 2028 blijft het 30%, in 2029 25%. Op termijn kan de motorrijtuigenbelasting -berekening ook veranderen en gebaseerd worden op voertuigomvang in plaats van gewicht.

 

BPM: elektrische auto’s worden duurder bij aanschaf

Ook de BPM-vrijstelling is sinds 2025 verleden tijd. Voorheen betaalde je bij een elektrische auto niets, omdat de heffing gebaseerd is op CO₂-uitstoot. Nu geldt een vaste voet van € 667 (2025), die jaarlijks wordt aangepast aan de inflatie. In 2026 stijgt het bedrag waarschijnlijk, waardoor de aanschafkosten voor een nieuwe elektrische auto hoger uitvallen.

 

Wat betekent dit voor rijders?

Kortom: wie volgend jaar een volledig elektrische auto wil rijden, ziet hogere bijtelling, minder motorrijtuigenbelasting-korting en een stijgende BPM. Het loont om nog dit jaar een auto op kenteken te zetten om het lagere bijtellingspercentage veilig te stellen en kosten te drukken.

 

Onze adviseurs helpen u graag om de financiële impact te berekenen, zodat u precies weet wat u in 2026 kwijt bent aan uw elektrische auto.

Buitenlands vastgoed en het OWR-formulier: waarom rekenen vóór indienen cruciaal is

Het klinkt aantrekkelijk: met het OWR-formulier (Opgaaf Werkelijk Rendement) laat u zien dat uw werkelijke rendement in box 3 lager is dan het forfaitaire rendement. Minder rendement betekent minder belasting, toch? Maar bij buitenlands vastgoed is dat niet altijd zo. Door de manier waarop de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt berekend, kan het indienen van het formulier zelfs tot een hogere aanslag leiden.

Hoe werkt de aftrek dubbele belasting?

Nederland heft belasting over uw volledige vermogen in box 3, dus ook over vastgoed in het buitenland. Het land waar het vastgoed staat, heft vaak óók belasting. Om dubbele heffing te voorkomen, kent Nederland een aftrek toe.
Die aftrek wordt berekend met een breuk:

  • Teller: het buitenlandse inkomen
  • Noemer: het totale inkomen

Het verschil tussen forfaitair en werkelijk rendement zit in de manier waarop dat buitenlandse inkomen wordt bepaald:

  • Forfaitair rendement: de waarde van het buitenlandse vermogen telt mee, ongeacht of het daadwerkelijk inkomen oplevert.
  • Werkelijk rendement: alleen het feitelijk behaalde inkomen telt mee, zoals huurinkomsten of waardestijgingen.

Wat is forfaitair en werkelijk rendement?

Forfaitair rendement betekent dat de Belastingdienst uitgaat van een verondersteld (fictief) rendement over de waarde van je bezittingen.
Dit geldt ook als je geen echt inkomen ontvangt, je betaalt belasting alsof je een bepaald rendement haalt.

Werkelijk rendement houdt in dat je alleen belasting betaalt over het echt ontvangen inkomen, zoals huur of waardestijgingen van je vastgoed.
Dit kan lager of hoger zijn dan het forfaitaire rendement.

Waar gaat het mis?

Bij vastgoed dat weinig of geen inkomen oplevert, zoals een vakantiehuis dat u zelf gebruikt, kan de teller in de breuk heel klein worden. Daardoor wordt de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ook veel lager.
Het gevolg: hoewel uw werkelijke rendement lager is, kan de aftrek zó sterk dalen dat u uiteindelijk méér belasting betaalt dan bij het forfaitaire stelsel.

Rekenvoorbeeld: Buitenlands vastgoed en box 3 – verschil tussen forfaitair en werkelijk rendement

Forfaitair rendement

In het forfaitaire stelsel wordt de aftrekbreuk gebaseerd op waarde (rendementsgrondslag), niet op het werkelijke inkomen.

Mila bezit:

  • NL-pand: € 310.000 > Regulier voordeel: € 500 rente + € 10.000 huur + € 15.000 waardestijging
  • Buitenlands pand: € 310.000 > Regulier voordeel: € 5.000 waardestijging

De verhouding voor de aftrekbreuk is dan 5/10e (= 50%). Bij het forfaitaire rendement van de Overbruggingswet wordt deze waarde vermenigvuldigd met het fictieve percentage, en zo ontstaat de aftrek.

Rekenvoorbeeld forfaitair rendement
  • Banktegoeden: € 25.000 × 1,44% = € 360
  • Overige bezittingen (panden): € 620.000 × 6,04% = € 37.448
  • Totaal fictief rendement: € 37.808
  • Rendementspercentage: € 37.808 / € 645.000 = 5,86%
  • Box 3-inkomen: (€ 645.000 – € 57.000 vrijstelling) × 5,86% = € 34.467
  • Box 3-heffing: € 34.467 × 36% = € 12.408

Aftrek dubbele belasting: 50% van € 12.408 = € 6.204

Eindtelling: € 12.408 – € 6.204 = € 6.204 te betalen.

Werkelijk rendement

Sinds de Wet tegenbewijsregeling box 3 mag je aantonen dat je werkelijke rendement lager is dan het fictieve. Hierbij tellen zowel huur/rente (regulier voordeel) als waardestijgingen (vermogensaanwas).

Mila bezit:

  • Regulier voordeel NL: € 500 rente + € 10.000 huur = € 10.500
  • Waardestijging panden: NL € 15.000, buitenland € 5.000 → €000
  • Totaal werkelijk rendement: € 30.500
  • Box 3-heffing: € 30.500 × 36% = € 10.980
Rekenvoorbeeld werkelijk rendement
  • Wereldinkomen: € 30.500
  • Buitenlands aandeel: € 5.000 (16,4%)

Aftrek dubbele belasting: 16,4% van € 10.980 ≈ € 1.800

Eindtotaal: € 10.980 – € 1.800 = € 9.180 te betalen.

Belangrijk verschil:
  • Forfaitair → buitenlandse waarde telt volledig mee in de aftrekbreuk → hogere aftrek.
  • Werkelijk → alleen buitenlands inkomen telt mee → vaak lagere aftrek. Dat kan ertoe leiden dat de overstap naar werkelijk rendement juist méér belasting kost bij buitenlands vastgoed.

Let op: het kan ook andersom zijn. Als het werkelijk rendement in het buitenland juist hoger is dan het forfaitaire fictieve rendement, kan de overstap naar de werkelijke berekening juist leiden tot een lagere belastingdruk. Daarom is het vooraf goed doorrekenen van beide methoden essentieel om verrassingen te voorkomen.

Wat zegt de Belastingdienst?

In de toelichting bij het OWR-formulier staat: “Insturen van dit formulier leidt nooit tot een hogere aanslag.” Dit klopt in de zin dat de berekening van de box 3-heffing zelf niet hoger wordt dan het forfaitaire stelsel. Maar de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is een aparte stap in de berekening. Daar kan het effect wél negatief uitpakken.

Conclusie

Wie buitenlands vastgoed bezit, moet niet alleen kijken naar het rendement, maar ook naar het effect op de aftrek dubbele belasting. Een lagere rendementsgrondslag kan leiden tot een lagere aftrek, waardoor het voordeel verdwijnt. Met een goede berekening voorkomt u dat een belastingvoordeel verandert in een financiële tegenvaller.

Onze adviseurs helpen u graag bij het doorrekenen van beide scenario’s, zodat u precies weet wat in uw situatie het meest gunstig is.