Het gerechtshof (16 februari 2021): Maaltijdbezorgers van Deliveroo geen ZZP-ers

Het gerechtshof Amsterdam heeft zich in haar arrest van 16 februari 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:392) uitgelaten over de vraag hoe de overeenkomst met maaltijdbezorgers van Deliveroo moet worden gekwalificeerd. Zijn het ZZP-ers of zijn de maaltijdbezorgers op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam?
 
Deliveroo biedt in Nederland sedert 2015 een online maaltijdbestel- en betaalsysteem aan, alsmede een bezorgdienst. Tot in de loop van 2018 heeft Deliveroo voor de uitvoering van haar bezorgdienst bezorgers in dienst genomen op basis van een arbeidsovereenkomst. Sinds 1 juli 2018 werken bezorgers nog uitsluitend op basis van een overeenkomst van opdracht. De bezorgers zijn als ondernemer ingeschreven in het handelsregister. Betaling door Deliveroo aan de bezorger vindt per levering plaats op basis van facturering. De bezorger maakt voor de bezorging gebruik van een eigen vervoermiddel en smartphone. Met de smartphone maakt de bezorger gebruik van het ICT-systeem van Deliveroo.
 
Voor de kwalificatie van een arbeidsrelatie moet worden gekeken naar de elementen ‘arbeid’, ‘loon’, ‘in dienst’ en ‘gedurende zekere tijd’. Deze kwalificatie moet gebeuren aan de hand van de rechten en verplichtingen die partijen zijn overeengekomen me inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
 
Arbeid
De bezorgers verrichten arbeid. Weliswaar is sprake van vrijheid waarmee arbeid wordt verricht en kan een bezorger zich laten vervangen, maar naar het oordeel van het Hof is dat niet van dien aard dat daarmee de kwalificatie “arbeidsovereenkomst” onverenigbaar zou zijn.
 
Loon
Deliveroo betaalt de bezorgers per afgeleverde bestelling. Deliveroo verzorgt zelf de facturen van de bezorgers. Deliveroo bepaalt de vergoeding en kan die (eenzijdig) wijzigen. Individuele bezorgers hebben naar het oordeel van het Hof geen invloed op de vergoeding.
 
Voor veel bezorgers geldt bovendien dat de belastingdienst hun werkzaamheden (voor de omzetbelasting) als hobby-matig aanmerkt (grens: 40% van het minimumloon), zodat hun prestatie niet belast is met omzetbelasting. Het ontbreken van ondernemerschap kan volgens het Hof een indicatie vormen voor werknemerschap. De wijze waarop de (loon)betaling door Deliveroo plaatsvindt, wijst naar het oordeel van het hof eerder op de aanwezigheid dan op de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst.
 
In dienst van
Deliveroo stelt dat tussen haar en de bezorgers geen gezagsrelatie aanwezig is. Het Hof concludeert anders.
 
Aan de vrijheid van de bezorger om zelf de precieze route te bepalen komt geen betekenis toe en duidt naar het oordeel van het Hof niet op de afwezigheid (noch op de aanwezigheid) van een arbeidsovereenkomst. Ook een vrachtwagenchauffeur in loondienst heeft doorgaans immers die vrijheid.
 
De werkzaamheden, het ophalen en bezorgen van voedsel, zijn van dien aard, dat daarvoor weinig aanwijzingen nodig zijn. Dus de aard van de werkzaamheden brengt met zich dat de mate waarin aanwijzingen gegeven worden, op zich zelf niet veel zegt over de aan- dan wel afwezigheid van een arbeidsovereenkomst.
Dat het Deliveroo is die de inhoud van de contracten en de wijze waarop de werkzaamheden worden georganiseerd steeds eenzijdig wijzigt, duidt er ook op dat Deliveroo gezag uitoefent over de bezorgers. In algemene zin is een arbeidsovereenkomst immers vaker een door de werkgever opgesteld adhesiecontract, wat door de werknemer al dan niet geaccepteerd kan worden, terwijl tussen opdrachtgever en opdrachtnemer eerder zal worden onderhandeld over de inhoud van de overeenkomst.
 
Het gehanteerde GPS-systeem geeft Deliveroo (al dan niet via haar klanten) een vergaande controlemogelijkheid, die eveneens als een vorm van gezag is aan te merken.
 
Ook het door Deliveroo eenzijdig vastgestelde betaalmodel duidt op een vergaande bemoeienis van Deliveroo op het bezorgproces, en vormt daarmee een aanwijzing van gezag.
 
De wijze waarop Deliveroo werkzaamheden door bezorgers laat uitoefenen, duidt volgens het Hof veeleer op een gezagsrelatie, dan op de afwezigheid van een gezagsrelatie.
 
Gedurende zekere tijd
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de bezorgers die arbeid voor Deliveroo verrichten, dit in een verwaarloosbare omvang doen. Naar het oordeel van het hof is dan ook voldaan aan het in artikel 7:610 BW neergelegde criterium dat de arbeid gedurende zekere tijd dient te worden verricht.
 
Conclusie
Alle omstandigheden bij elkaar genomen constateert het hof dat slechts de aan de bezorgers ten aanzien van het verrichten van de arbeid gegeven vrijheid een omstandigheid is die eerder wijst op de afwezigheid dan op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst. Alle overige elementen, waaronder de wijze van loonbetaling, het uitgeoefende gezag, de zekere tijd (met rechtsvermoeden), alsmede de genoemde overige omstandigheden wijzen meer op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst dan op de afwezigheid daarvan. De aan de bezorgers ten aanzien van het verrichten van de arbeid gegeven vrijheid is bovendien niet onverenigbaar met de kwalificatie van de overeenkomst als arbeidsovereenkomst. Concluderend is het hof van oordeel dat de bezorgers van Deliveroo werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst.
 
Gevolg is dat de bezorgers als werknemers moeten worden beloond en behandeld.
 
Tenslotte
De Hoge Raad overwoog op 6 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1746) dat niet van belang is of partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst al dan niet onder de regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen; waar het om gaat is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Dat uitgangspunt komt ook hier weer tot z’n recht. Het laat bovendien zien dat partijen er bij het tot stand komen van een rechtsverhouding goed aan doen zich niet alleen te laten leiden door hun bedoelingen, maar rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. De hulp van een juridisch adviseur, zoals de adviseurs die zijn verbonden aan Bureau Aard, kan daarbij van pas komen.
 

Een nieuw herstructurerings­instrument: Wet Homologatie Onderhands Akkoord

Op 1 januari 2021 is de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) in werking getreden. Deze nieuwe regeling in de Faillissementswet maakt het voor schuldenaren mogelijk schulden te saneren door middel van een onderhands akkoord. Omdat de regeling ook schuldeisers kan binden die niet met het akkoord hebben ingestemd, wordt het ook wel een “dwangakkoord” genoemd.
 
In faillissement kennen we de mogelijkheid dat de gefailleerde tot een bindend akkoord met schuldeisers kan komen ingeval tenminste de helft van de schuldeisers instemt, die tezamen tenminste de helft van de gezamenlijke schuldenlast vertegenwoordigen. De WHOA maakt het mogelijk ook buiten faillissement een akkoord af te dwingen. Dat lijkt in de praktijk van vandaag een nieuw herstructureringsinstrument.
 
Twee procedures
De WHO biedt twee procedures (beiden buiten faillissement) waarbinnen het akkoord tot stand kan worden gebracht:
1. een besloten akkoordprocedure; en
2. een openbare akkoordprocedure.
 
Bij de besloten akkoordprocedure wordt niet publiek gemaakt dat de schuldenaar of een herstructureringsdeskundige voornemens is om een akkoord aan te bieden en worden alle verzoeken aan de rechter in raadkamer behandeld.
 
Bij de openbare akkoordprocedure wordt daaraan wel publiciteit gegeven door een kennisgeving in het insolventieregister. Voorts volgt inschrijving in het Handelsregister en vindt de behandeling door de rechter in het openbaar plaats.
 
Uitgangspunt
Uitgangspunt voor toepassing van de WHOA is dat de schuldenaar in een toestand verkeert waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat hij insolvent zal raken. Niet alleen de schuldenaar kan een akkoordprocedure starten, maar ook zijn schuldeisers, aandeelhouders en de binnen de onderneming ingestelde ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging.
 
Het akkoord
Het akkoord kan wijzigingen aanbrengen in de rechten van schuldeisers, dat wil zeggen een wijziging van het recht van een schuldeiser om nakoming door de schuldenaar van de op hem rustende verplichtingen af te dwingen. Het akkoord kan wijzigingen omvatten van de rechten van alle categorieën schuldeisers en aandeelhouders. Dit kan derhalve ook zijn op een aanpassing van de rechten van de preferente en zekerheidsgerechtigde schuldeisers.
 
De WHOA biedt de schuldenaar ook de mogelijkheid om als onderdeel van het akkoord lopende overeenkomsten eenzijdig te beëindigen als de wederpartij niet instemt met een voorgestelde vrijwillige wijziging of beëindiging. Denk bijvoorbeeld aan een huurovereenkomst die als een spreekwoordelijke molensteen rond de nek van de onderneming hangt. Arbeidsovereenkomsten kunnen evenwel niet worden aangepast.
 
De schuldenaar kan bij het aanbieden van het akkoord crediteuren die heel verschillend zijn, indelen in verschillende ‘klassen’ van crediteuren. Te denken valt aan (ongezekerde) handelscrediteuren, (gezekerde) financiers, de fiscus met een voorrangsrecht, aandeelhouders, et cetera. De WHOA biedt een schuldenaar de vrijheid om een akkoord aan te bieden aan één of meerdere klassen crediteuren, en andere crediteuren niet. De andere crediteuren behouden dan hun vorderingen.
Financiers kunnen nieuw geld lenen aan de schuldenaar in het kader van het akkoord en daar zekerheidsrechten voor vestigen. Onder huidig recht zal het verstrekken van zekerheden voor nieuwe leningen in nagenoeg alle gevallen worden gezien als benadeling van crediteuren. Dit is daarop dus een wettelijke uitzondering.
 
Homologatie
Voor homologatie dient een akkoord aan de volgende voorwaarden te voldoen:
1. Het akkoord is nodig: zonder akkoord is het redelijkerwijs aannemelijk dat een faillissement zal volgen, terwijl de onderneming in de kern winstgevend is;
2. het akkoord is haalbaar: de herstructurering is een doordacht plan met kans van slagen;
3. er is in ieder geval één klasse crediteuren door crediteuren die tenminste 2/3 van de waarde van de schulden vertegenwoordigen akkoord gegaan met het voorstel;
4. het akkoord leidt ertoe dat geen van de betrokken klassen crediteuren in een nadeliger positie komt dan in een faillissement; en
5. de ‘waarde’ van het akkoord, bestaande uit de meerwaarde die gecreëerd en/of behouden wordt ten opzichte van een faillissementsscenario, wordt evenredig verdeeld tussen de betrokken crediteuren.
 
Als het akkoord aan deze voorwaarden voldoet, zal de rechter het in beginsel homologeren en wordt het dwingend tegenover de betrokken klassen crediteuren. Tegen een verleende homologatie staat geen hoger beroep open voor benadeelde crediteuren. Met de uitspraak van de rechter is het akkoord een feit en kan de herstructurering worden uitgevoerd.
 
Tenslotte
Of het nieuwe herstructureringsinstrument in een individueel geval geschikt is, hangt van veel feiten en omstandigheden af. Maar ter voorkoming van een faillissement en daarmee vaak teloorgang van (overlevings)kansen van een onderneming, kan een tijdige nadere beoordeling heel zinvol zijn. De adviseurs van Bureau Aard kunnen u daarbij van dienst zijn.

 

De aanzegplicht en de vervaltermijn

Voor werkgevers geldt op grond van de Wet werk en zekerheid een aanzegplicht bij een tijdelijke arbeidsovereenkomst van 6 maanden of langer. De werkgever dient de werknemer uiterlijk 1 maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst schriftelijk aan te geven of de arbeidsovereenkomst wel of niet wordt verlengd.
 
De werkgever die de aanzegplicht niet nakomt is aan de werknemer een aanzegvergoeding verschuldigd. Bij gebreke van aanzegging bedraagt de aanzegvergoeding één maand. Bij gebreke van tijdige opzegging, is de werkgever de aanzegvergoeding naar rato verschuldigd.
 
Ingeval de werkgever de aanzegvergoeding niet voldoet, dan dient de werknemer binnen drie maanden na het moment waarop de aanzegplicht ontstond (in de praktijk twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd) een verzoekschrift in te dienen bij de rechter. Mocht de werknemer nalaten het verzoekschrift tijdig in te dienen, dan is het recht op de aanzegvergoeding vervallen. Het is niet mogelijk deze termijn de stuiten.
 
Mocht u vragen hebben op het gebied van arbeidsrecht, neem dan contact op met één van onze juristen (info@bureau-aard.nl).

 

Bureau Aard breidt uit in Boxmeer en koopt: Steenstraat 72 te Boxmeer

Bureau Aard onderstreept haar positie in de regio Boxmeer met de verwerving van de Steenstraat 72. Een monument in het centrum van Boxmeer, omgeven door winkels, horeca en overige voorzieningen.
 
Het gebouw is omstreeks 1880 gebouwd. In 1924, toen een deel in gebruik was bij Hanzenbank en een deel in gebruik was als sigarenwinkel, kwam het in handen van de eerste generatie Janssen. De derde generatie Janssen, Frans Janssen, heeft laatstelijk “Jansen Den Drêjer Slagerij” in de winkel op de begane grond geëxploiteerd. Het is een gemeentelijk monument.
 

Bureau Aard zal de begane grond verbouwen tot een hedendaagse kantoorruimte, voor haar eigen vestiging in Boxmeer en als ontmoetings- en werkplek voor met Bureau Aard gelieerde ondernemingen. Wim Smits: “deze vestiging is een aanwinst voor Bureau Aard en geeft blijk van het belang van Boxmeer en omgeving voor onze bedrijven”.
 

Eerste Hulp Bij Corona (COVID-19)

De gevolgen van de COVID-19 uitbraak grijpen fors om ons heen. Het raakt iedereen in de persoonlijke levenssfeer. Hulde aan iedereen die zich inzet om het virus en de gevolgen van de uitbraak te bestrijden en die actief is in een vitaal beroep. Dat verdient niet alleen respect, maar verlangt ook dat wij allemaal verantwoord omgaan met de richtlijnen om zo ook maximaal bij te dragen aan de beheersbaarheid van de (gevolgen van de) uitbraak van COVID-19.
 
Wij hebben niet de kennis en vaardigheid om de zo nodige persoonlijke medische hulp en zorg te bieden. Wel kunnen wij hulp bieden aan ondernemers: Eerste Hulp Bij Corona (COVID-19).
 
De overheid heeft maatregelen genomen met als doel te bevorderen dat ondernemers de tijd dat het virus ons land in z’n greep heeft zakelijk te overwinnen. Wij kunnen ons voorstellen dat de inhoud of uitvoering van die maatregelen niet voor alle ondernemers duidelijk is. Of dat zij hulp nodig hebben om gebruik te maken van die maatregelen.
 
De COVID-19 uitbraak kan ook verder strekkende gevolgen hebben dan met de noodmaatregelen kunnen worden overwonnen. Daarom hebben wij een team samengesteld van professionals die samen of elk op hun vakgebied ondernemers van dienst kunnen zijn:
 
T.A.H. Hospel (hospel@bureau-aard.nl): Erkend financieel adviseur. Voor vragen over uw bestaande financieringen, bijstand bij overleg met uw bestaande financier(s) of advies en bemiddeling bij een nieuwe financiering.
 
R.J.G.M. Philips AA RB (philips@bureau-aard.nl): Voor de toepassing van door de overheid genomen steunmaatregelen, voor belastingadvies en om samen met de ondernemer de levensvatbaarheid van de onderneming te diagnosticeren.
 
mr. M.Ph.A. Senders (senders@bureau-aard.nl): Voor de toepassing van de door de overheid genomen steunmaatregelen, voor het analyseren en beperken van risico’s, in verband met dreigende insolventie (faillissement) en voor herstructurering of recovery.
 
Maar ook als u gewoon een gesprekspartner zoekt voor de afweging van een mogelijk moeilijke keuze waar u als ondernemer voor staat, dan nodigen wij u uit contact met ons op te nemen.
 

Meldingsplicht buitenlandse werkgevers

Meldingsplicht voor buitenlandse werkgevers die in Nederland werk (doen) verrichten

Vanaf 1 maart 2020 geldt voor buitenlandse werkgevers en zelfstandige ondernemers (uit landen van de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland) een meldingsplicht als zij in Nederland tijdelijk werkzaamheden verrichten. Bij de melding moet onder meer worden aangegeven welke werkzaamheden verricht gaan worden, in welke periode en of werknemers worden meegebracht. Ook de komst van alle gedetacheerde werknemers moet worden gemeld.

 
De meldingsplicht vindt de grondslag in de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de EU (WagwEU) en het Besluit arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de EU.

 

De beëindiging van een besloten vennootschap

Er kunnen tal van redenen zijn de beëindiging van een besloten vennootschap (BV) te overwegen. In deze bijdrage bespreken we de meest voorkomende manieren om een BV te beëindigen: ontbinding, turboliquidatie of faillissement.

 

De ontbinding
Een BV kan worden ontbonden door een formeel besluit van de aandeelhouders, tenzij de statuten bepalen dat een ander orgaan het besluit moet nemen (artikel 2:19 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

 

Na het besluit tot ontbinding bestaat de BV nog steeds (artikel 2:19 lid 5 BW). De BV blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van het vermogen van de BV nodig is. De BV moet vanaf het moment van de ontbinding (ofwel de aanvang van de vereffening) in alle stukken en aankondigingen die van de BV uitgaan, aan de naam van de BV toevoegen “in liquidatie”. De BV is pas opgehouden te bestaan als het vermogen van de vennootschap is vereffend. Het bestuur is in de regel belast met de vereffening van het vermogen van de vennootschap die is ontbonden. De statuten kunnen ook een ander persoon als vereffenaar aanwijzen. De vereffenaar inventariseert allereerst de aanwezige baten en lasten. Het aanwezige vermogen moet te gelden worden gemaakt.

 

In het geval de baten hoger zijn dan (of gelijk zijn aan) de schulden, dan zal de vereffenaar een plan van verdeling opstellen. Dat plan wordt gedurende twee maanden ter inzage gelegd bij het Handelsregister. De vereffenaar maakt bekend tot welke datum het plan van verdeling ter inzage ligt. Dit kan door middel van een kennisgeving in een landelijk dagblad en de Staatscourant. Vanaf het moment van kennisgeving en gedurende de inzagetermijn kan met een verzoekschrift verzet worden ingesteld tegen het plan van verdeling. Na het ongebruikt verstrijken van de termijn wordt uitvoering gegeven aan het plan. De schulden worden betaald, de vereffenaar legt rekening en verantwoording af en het (eventuele) resterende vermogen wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders, tenzij de statuten anders bepalen. Nadat de vennootschap is vereffend houdt deze op te bestaan en kan zij worden uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

 

Als de schulden hoger zijn dan het vermogen ontstaat er een probleem. In dat geval is de vereffenaar verplicht om ofwel een akkoord aan te bieden aan de schuldeisers, ofwel het faillissement aan te vragen van de vennootschap. Wordt er geen akkoord aangeboden of geen faillissement aangevraagd, dan kan de vereffenaar persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

 

Ook kan zich de situatie voordoen dat er geen baten zijn, maar alleen schulden. De vereffeningsfase hoeft niet te worden doorlopen, omdat er geen vermogen is dat kan worden vereffend. In deze situatie is sprake van een turboliquidatie. Die komt hierna aan bod.

 

De turboliquidatie
Een turboliquidatie is een snelle en goedkope manier om een vennootschap te ontbinden. Een ander bijkomend voordeel is dat er geen kennisgeving in een landelijk dagblad of Staatscourant hoeft te worden gedaan. De turbo-liquidatie vindt de grondslag in artikel 2:19 lid 4 BW.

 

Turboliquidatie is alleen mogelijk indien de vennootschap geen baten heeft. Let op: het is echter niet toegestaan om kort voor de liquidatie vermogen te onttrekken aan de vennootschap of selectieve betalingen te doen aan schuldeisers (om de voor turbo-liquidatie vereiste vermogenstoestand te bewerkstelligen). Doet het bestuur dat wel, dan kan het bestuur persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

 

Voor een succesvolle turboliquidatie is verder vereist dat de doorlopende verplichtingen, zoals bijvoorbeeld een huurovereenkomst, op de juiste wijze zijn beëindigd.

 

Turboliquidatie is zoals gezegd eenvoudig: er hoeft maar één fase te worden doorlopen. Voor een turboliquidatie moet er een formeel besluit worden genomen door de aandeelhouder(s) tot ontbinding van de vennootschap. Door dit besluit is de vennootschap onmiddellijk opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De vennootschap kan worden uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Aan vereffening wordt niet toegekomen, omdat er geen vermogen aanwezig is.

 

Bij een turboliquidatie resteren doorgaans alleen schulden. Dat kan wrang voelen voor schuldeisers, temeer omdat er – in tegenstelling tot het faillissement – geen curator wordt aangesteld die het handelen van het bestuur toetst. Op basis van rechtspraak is het echter soms verplicht om voor de turboliquidatie te kiezen en niet voor het faillissement. Op het moment dat er (nagenoeg) geen activa is, er slechts schulden resteren en er bovendien geen verwachting is dat er activa kan worden gegenereerd, bijvoorbeeld op grond van bestuurdersaansprakelijkheid of een pauliana, rust er een verplichting op de vennootschap om de route van de turboliquidatie te volgen (HR 18 december 2015, ECLI:HR:2015:3636). Het niettemin aanvragen van een faillissement leidt tot misbruik van recht, omdat de curator wegens het gebrek aan baten onmiddellijk zou overgaan tot opheffing van het faillissement. Hierbij speelt een rol dat de curator wordt belast met werkzaamheden zonder dat hij daarvoor een vergoeding ontvangt.

 

Van de mogelijkheid van turbo-liquidatie wordt in de praktijk ook wel misbruik gemaakt. Schuldeisers hebben vaak het nakijken. De schuldeisers worden vooraf niet geïnformeerd over het verdwijnen van hun schuldenaar en relevante verantwoordingsinformatie ontbreekt. Het bestuur is niet gehouden om verantwoording af te leggen met bijvoorbeeld het deponeren van een slotbalans. Het Ministerie van Justitie onderzoekt de mogelijkheden van een wetswijziging en met als doel misbruik te voorkomen en de rechtsbescherming van schuldeisers te verbeteren.

 

In het voorstel dat minister Dekker voor rechtsbescherming in september 2019 aan de Tweede Kamer voorlegde kondigde hij het volgende aan: Het bestuur zal worden verplicht tot het opstellen en deponeren van een slotbalans, die vergezeld gaat van een bestuursverklaring met daarin een nadere verklaring omtrent het ontbreken van baten, eventueel nog met een slotuitdelingslijst. De slotbalans heeft betrekking op het boekjaar van de turboliquidatie en moet worden gedeponeerd bij het handelsregister. Het bestuur zal zorg moeten dragen voor een algemene bekendmaking van de ontbinding, waarbij kenbaar wordt gemaakt dat de slotbalans met jaarrekening ter inzage ligt bij het handelsregister. Tot slot moeten voor de doorhaling van de rechtspersoon in het handelsregister de jaarrekeningen over alle eerdere boekjaren openbaar gemaakt zijn, tenzij daarvoor een ontheffing op basis van artikel 2:394, lid 5 BW geldt. De door minister Dekker aangekondigde maatregelen worden in de loop van dit jaar uitgewerkt.

 

Faillissement
In het geval de schulden hoger zijn dan de baten en een schuldeisersakkoord geen reële optie blijkt, resteert er geen andere optie dan het faillissement van de BV aan te vragen.

 

Het faillissement kan worden uitgesproken als de BV in de toestand verkeert dat zij is opgehouden te betalen. Het faillissement kan op eigen aangifte worden uitgesproken als er tenminste twee schuldeisers zijn, waarvan één opeisbaar. Daarnaast moet er wel enige activa aanwezig zijn. Indien dat niet het geval is moet, zoals gezegd, de route van de turboliquidatie worden gevolgd.

 

Als het faillissement wordt uitgesproken zal de rechter een curator aanstellen. De curator zal het vermogen van de BV vereffenen namens de gezamenlijke schuldeisers. De rechter-commissaris houdt toezicht op het handelen van de curator.

 

Mocht u in verband met de beëdiging van een BV vragen hebben, neem dan contact op met de adviseurs van Bureau Aard. Zij staan u met raad en daad bij.

Transitievergoeding verandert: wat zijn de gevolgen?

Tot 1 januari 2020 geldt dat een werkgever aan de werknemer een transitievergoeding moet betalen als de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever beëindigd of niet voortgezet wordt. In de praktijk zag men dat werkgevers een dienstverband maximaal 23 maanden lieten duren zodat geen transitievergoeding verschuldigd werd. Aan die praktijk komt met inwerkingtreding van de nieuwe Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) per 1 januari 2020 een einde.
 
Eerdergenoemde termijn van 24 maanden komt per 1 januari 2020 namelijk te vervallen. Vanaf die datum geldt dat een transitievergoeding verschuldigd is vanaf de allereerste dag van het dienstverband als dit dienstverband op initiatief van de werkgever eindigt of niet wordt voortgezet. De transitievergoeding wordt dus ook verschuldigd als de werkgever tijdens de proeftijd besluit afscheid te nemen. Dat geldt eveneens bij een deeltijdontslag, mits sprake is van een substantiële (minimaal 20%) en structurele vermindering van de arbeidsduur. Ook dan krijgt de werknemer aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding.
 
Ook als sprake is geweest van een uitzendovereenkomst of de werknemer instemt met de opzegging en voldaan is aan de voorwaarden, geldt de aanspraak op de transitievergoeding. De transitievergoeding is niet verschuldigd als de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden middels een vaststellingsovereenkomst wordt beëindigd of als de beëindiging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
 
De transitievergoeding gaat ook anders worden berekend. Met ingang van 1 januari 2020 geldt dat voor ieder dienstjaar 1/3 maandsalaris wordt opgebouwd. Dit geldt zowel voor dienstverbanden langer dan 10 jaar en voor werknemers boven de 50. De werknemer heeft dus weliswaar vanaf een eerder moment aanspraak op de transitievergoeding, maar voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst met een (oudere) werknemer die langer dan tien jaar in dienst is geweest, zal de te betalen transitievergoeding per 1 januari 2020 substantieel lager uitvallen.
 
Meer weten over dit onderwerp? Neem gerust contact met ons op!

Gelden op de kwaliteitsrekening

De (vooruit)betaling van gelden vindt in ons economisch verkeer regelmatig plaats via een zogenaamde kwaliteitsrekening. Maar de betaling op een kwaliteitsrekening betekent niet dat de gelden het vermogen verlaten. Iets om rekening mee te houden bij het doen van de belastingaangifte.

 

De notaris
De notaris maakt gebruik van een derdengeldenrekening (ook wel derdenrekening of kwaliteitsrekening genoemd). Zo’n rekening gebruikt de notaris voor door derden aan hem toevertrouwde gelden. Deze gelden zijn afgescheiden van het eigen (kantoor)vermogen van de notaris. Ook de gerechtsdeurwaarder maakt voor zijn beroepsuitoefening van zo’n derdengeldenrekening gebruik.

 

De advocaat
De wettelijke regeling voor notarissen en gerechtsdeurwaarders (artikel 25 Wet op het notarisambt (Wna) respectievelijk artikel 19 Gerechtsdeurwaarderswet) bestaat voor advocaten niet. Voor de advocaat werkt het anders. De advocaat maakt voor de aan hem door derden toevertrouwde gelden in het kader van zijn beroepsuitoefening gebruik van een Stichting beheer derdengelden: de derdengeldenrekening is in beheer van de stichting. In het arrest van 13 juni 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3413) oordeelde de Hoge Raad reeds dat overeenkomstige toepassing van artikel 25 Wna mogelijk is op rekeningen die door advocaten worden aangehouden met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden.

 

Afgescheiden vermogen
Het feit dat de gelden zijn afgescheiden van het vermogen van (bijvoorbeeld) de notaris, brengt met zich mee dat de gelden buiten een eventueel faillissement van (bijvoorbeeld) de notaris blijven.

 

Geen verjaring
De Hoge Raad oordeelde (HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139) dat de Stichting beheer derdengelden zich tegenover een rechthebbende niet kan beroepen op verjaring van een vordering tot uitbetaling (van diens aandeel). Een rechthebbende heeft te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening.

 

Gelden op de kwaliteitsrekening blijven behoren tot het eigen vermogen
Het storten van geld op een kwaliteitsrekening betekent niet dat het bedrag het vermogen van de storter verlaat. Ook al strekken de gelden tot zekerheid of tot voldoening van een (aanstaande) verplichting, zolang de tegenprestatie waarvoor de gelden zijn bestemd niet is verricht blijven de gelden behoren tot het vermogen van de storter. Eerst nadat de tegenprestatie waarvoor de gelden zijn bestemd is verricht, verlaten de gelden het vermogen van de storter.

 

Een belanghebbende richtte op 31 december een besloten vennootschap op. Op die datum stortte hij € 1,5 miljoen aan agio op de kwaliteitsrekening van de notaris. Enkele weken later wordt het geld gebruikt voor de aanschaf van grond en andere activa. De Hoge Raad oordeelde op 12 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1177) dat het bedrag het vermogen van de belanghebbende op 31 december niet heeft verlaten. Het bedrag leidt tot belastingheffing in box 3.